Naar content

Hier komen de NAW-gegevens formulieren

Hoogleraar cardiovasculaire celbiologie Marie-José Goumans: “Ik wil mensen echt helpen. En niet alleen maar snappen hoe die stamcel zich ontwikkelt tot een hartspiercel”

Door: Richard van Duin
“Ik wil mensen echt helpen. En niet alleen snappen hoe die stamcel zich ontwikkelt tot een hartspiercel”

“Ik wil mensen echt helpen. En niet alleen snappen hoe die stamcel zich ontwikkelt tot een hartspiercel”

Voor hoogleraar cardiovasculaire celbiologie Marie-José Goumans is goed onderzoek doen niet genoeg. “Als het alleen bij een mechanisme begrijpen blijft, dan heeft de patiënt daar nog niks aan.” Ze zet zich op verschillende manieren in om zowel onderzoek als het onderzoeksveld echt verder te brengen. 

Goumans weet al vroeg welke kant ze op wil. De wonderlijke wereld van biologie trekt haar al op de middelbare school. Hoewel ze even in de voetsporen van haar vader lijkt te treden, verruilt ze de camouflageverf na haar propedeuse aan de militaire academie voor de witte labjas. Embryologie was het vak dat haar vervolgens inspireerde tot haar eigen onderzoekslijn. “Zo’n bevruchte eicel ontwikkelt in no time een hart en bloedvaten. Als we eenmaal volwassen zijn is eigenlijk elke beschadiging aan de hartspier blijvend. Ergens verliezen we dus het vermogen om hartweefsel te repareren. Ik onderzoek of ik bepaalde groeifactoren kan aansturen om het hart en de vaten toch te kunnen herstellen na beschadiging.” De kweekbakjes in haar lab lijken ver van de patiënt te staan. Toch heeft ze die patiënt altijd in het oog en zorgt ze via interdisciplinaire samenwerkingen dat er wel degelijk stappen worden gezet richting kliniek. “Ik heb artsen nodig die geïnteresseerd zijn in mijn kweekbakjes en de potentie van mijn resultaten zien. Hoe korter de lijntjes hoe beter.”
Naast haar wetenschappelijke taken is Goumans altijd actief geweest voor verbeteringen in het veld. Ze was lid van De Jonge Akademie van KNAW; Dekkerbeurs-referent; nam zitting in de commissie voor het samenstellen van de onderzoeksagenda voor hart- en vaatziekten; is mentor in het DCVA leadership program en lid van de wetenschappelijke adviesraad van de Hartstichting.

Wat drijft je om je naast onderzoek breder in te zetten voor de wetenschap?
“Verschillende dingen. Mijn vader had een hartprobleem. Die heeft twintig jaar geleden een groot infarct gehad. Gelukkig overleefd, maar toen kwam ik er wel achter dat ik mensen echt wil helpen. En niet alleen maar wil snappen hoe die stamcel zich ontwikkelt tot een hartspiercel. Ik wil dat mensen zoals mijn vader zo lang mogelijk, zo gezond mogelijk kunnen leven. Juist daarom is het zo belangrijk dat ook het vák in leven blijft. Ik zet me dan ook graag in om de jeugd te enthousiasmeren. Zorgen dat ze kiezen voor biomedisch onderzoek en voor het helpen vinden van nieuwe therapieën en niet gaan voor de ICT en de grote auto's. Tenslotte vind ik maatschappelijke bewustwording erg belangrijk. Mensen denken soms: kanker overkomt je, hart- en vaatziekten heb je zelf veroorzaakt. Had je maar gezonder moeten leven. Maar zo is het niet. En ik zet me erg graag in om dat beeld recht te zetten.”
 
Hoe is jouw betrokkenheid bij de Hartstichting ontstaan?
“Ik denk dat dat begonnen is vanuit een aantal kritische opmerkingen van mijn kant. Ik gaf mijn mening tijdens een paneldiscussie op de toenmalige Hartstichtingdagen. Ik merkte dat er echt geluisterd werd en dat ik zelfs vaker werd gevraagd om mee te denken. Mijn mening deed ertoe en er werd iets mee gedaan.”
 
Nu zijn wij natuurlijk erg benieuwd naar die kritische opmerkingen.
“Ik vond het met name moeilijk dat de Hartstichting altijd bezig was met heel toegepast onderzoek. Dicht bij de patiënt. Snel snel snel. En ik ben echt helemaal voor snelle doorvertaling, maar je hebt wel iets nodig om door te vertalen. Je hebt die basale wetenschap nodig om nieuwe dingen te ontdekken. En dan kan je niet zeggen: oké volgend jaar hebben we een medicijn. Ik zou het willen, maar zo snel gaat het niet. Dan werk je meer met een stip aan de horizon en maak je stappen in die richting.”
 
Hoe zorg jij als basale wetenschapper ervoor dat die stappen ook daadwerkelijk worden gemaakt?
“Dat kan alleen door een goede samenwerking. Ik heb artsen nodig die basaal mee willen denken. Die geïnteresseerd zijn in mijn kweekbakjes en de potentie van mijn resultaten zien. En andersom geldt dat net zo. Een betrokken arts of klinisch onderzoeker heeft basale wetenschappers nodig die nieuwe oplossingen kunnen aandragen. Hoe korter de lijntjes hoe beter. En daarom is dat werken in consortia ook zo mooi.”
 
Dus werken in consortia is de sleutel?
“Het faciliteert zeker. Je triggert elkaar. Je werkt met basale wetenschappers en artsen aan één doel, dus je hebt een heel mooi één-tweetje. En als je dan dezelfde taal leert spreken, dan merk je dat je heel snel stappen kan zetten. Zo hebben we een aantal nieuwe moleculen die het in de kweekbakjes en in diermodellen heel goed doen, binnen een paar jaar al kunnen testen in patiënten in fase een en twee studies. Dat hadden we anders niet zo snel voor elkaar gekregen.”
 
In 2012 deed je mee met het project ‘Ontmoetingen op maat’ van de Hartstichting waarin voor het eerst echt een open dialoog was tussen wetenschappers en patiënten. Waarom vond je dit belangrijk?
“Omdat, zeker toen, de doorsnee onderzoeker en de doorsnee patiënt elkaar niet begrepen. De basale wetenschapper kent de patiënt niet. Weet niet waar de patiënt nu in het dagelijks leven echt last van heeft. En andersom hebben veel patiënten geen idee hoe wetenschap werkt en wat een wetenschapper doet. Er was gewoon nog geen contact. De Hartstichting pionierde destijds met de open één-op-één-gesprekken tussen wetenschappers en patiënten en ik deed graag mee.”
 
Welke inzichten hebben patiënten jou gegeven?
Wat ik altijd eng vond is de verwachting van patiënten. Toen het ons voor het eerst lukte om voorlopercellen uit het volwassen hart te isoleren waren we natuurlijk heel enthousiast. Het was een doorbraak. Een grote stap in wetenschappelijke zin. Maar ik wist ook, het is maar een heel klein stapje richting een nieuwe therapie. En dus in gesprek met mensen om me heen was ik heel terughoudend. Ik wilde niet een patiënt de hoop geven dat hij volgende maand naar de huisarts kon voor een wondermiddel. Maar als je dan met patiënten zelf praat, dan weten zij eigenlijk wel verduveld goed dat dit waarschijnlijk niet meer voor hen is. Maar ze helpen graag voor de volgende generatie. Dat vond ik heel prettig. Dan durf je toch iets opener te praten.
 
De Hartstichting evalueert dit jaar haar onderzoeksbeleid van de afgelopen tien jaar. Wat vind jij de belangrijkste verbetering in het cardiovasculaire veld in die periode?
“Dat je nu echt kan spreken van een cardiovasculair veld. Tien jaar geleden zaten de artsen met hun witte jassen bij ICIN, het voormalige NL-HI en de medisch biologen in het lab. Door het werken binnen consortia en de af en toe gedwongen huwelijken zijn die werelden dichten bij elkaar gekomen. En dat wordt alleen maar beter, want de nieuwe generatie is een enorm hechte gemeenschap. Die kennen niet anders. De verschillende disciplines groeien als het ware samen op, bij de papendalcursussen, consortiummeetings en young@heart-activiteiten. Samenwerken en interdisciplinair denken leren ze vanaf het begin. Dat is fantastisch.”
 
En als ik je over tien jaar dezelfde vraag stel, wat hoop je dan te kunnen antwoorden?
“Goed onderzoek beantwoordt een belangrijke vraag, maar roept ook vragen op. Verrassende resultaten die enorme potentie hebben. Je zou dat gekke idee wat misschien een doorbraak geeft, ook ruimte moeten kunnen geven. Ik hoop dat we daar over tien jaar meer mogelijkheden voor hebben.”
 
Hoe zouden we daarvoor kunnen zorgen?
“Door postdocs in de toekomst weer opties te geven voor financiering van twee á drie jaar. Daar is op dit moment heel weinig ruimte voor. De Hartstichting heeft natuurlijk de Dekkerbeurzen en NWO heeft de Veni, Vidi en Vici, maar die zijn ingericht op carrièrelijn. Je moet op een gegeven moment omhoog, of eruit. En dat ‘eruit’ is eigenlijk kapitaalvernietiging vind ik. We zouden het anders moeten inrichten.
Een laag goede wetenschappers die niet per sé omhoog hoeven, maar gewoon goed onderzoek kunnen en mogen doen zou enorm waardevol zijn. Dat is overigens niet alleen aan de Hartstichting, maar vraagt om een bredere ontwikkeling van het veld.”
 
Je hebt in 2014 meegedacht met de onderzoeksagenda voor hart- en vaatziekten. Je had de rol van adviseur, maar bent zelf ook onderzoeker. Misschien had het voor jou ook consequenties. Vond je die dubbele pet lastig?
“Ergens wel. Wat ik lastig vond: we gingen heel Nederland vragen om te stemmen op thema’s. Destijds had alles met stamcellen en regeneratieve geneeskunde, mijn vakgebied dus, een enorme aantrekkingskracht. Ik denk stiekem wel eens dat als we alleen al het woord ‘stamcel’ hadden gebruikt, het thema veel stemmen zou hebben gehad. We waren als commissie bezorgd dat de andere thema's dan minder sterk naar voren zouden komen, op thema vrouwen na misschien. Om de thema’s gelijke kansen te geven hebben we toen als commissie besloten het subtiel te omschrijven. Uiteindelijk is er juist amper op gestemd. Voor mij als onderzoeker wel moeilijk. Tegelijkertijd snap ik de noodzaak en is het regeneratieve aspect nu belegd bij de cardio moonshot van RegMed XB. Hier doet de Hartstichting ook aan mee.”
 
Dus uiteindelijk tevreden met hoe het is uitgepakt? Of had jij zelf toch echt regeneratieve geneeskunde als thema gewild?
“Had ik wel gewild, maar heeft Nederland niet besloten. En ik denk dan ook dat het goed is. Het proces is heel netjes gegaan. Het is een onderzoeksagenda van wetenschappers, artsen en van heel Nederland, niet van de Hartstichting of van de commissie.”
 
Hoe bevalt je eerste jaar als lid van onze wetenschappelijke adviesraadraad?
“Het bevalt goed. Ik heb met name veel over de Hartstichting geleerd. Je ziet ineens het totaalplaatje. Als je als onderzoeker hoort dat je aanvraag is afgekeurd, heb je echt het idee van wat is dat voor stelletje daar? En dan zie je zo’n bloeddrukcampagne en denk je: zonde, had gewoon mijn onderzoek gefinancierd. Nu in de WAR zie ik de verschillende processen, de doelen en de strategie om ze te behalen. Ook via internationale samenwerkingen en positionering. Het beleid, de gang van zaken; het zit goed in elkaar en wordt heel zorgvuldig gedaan.”


Prof. dr. Marie-José Goumans

Marie-José Goumans

Functie: Hoogleraar cardiovasculaire celbiologie, onderzoeksleider van Phaedra-Impact, lid van de Wetenschappelijke adviesraad van de Hartstichting.

Standplaats: Universiteit Leiden

Financiering door de Hartstichting: onderzoeksleider op Phaedra-impact, projectmedewerker op Reconnect, Dolphin Genesis, RegMed XB cardiovascular moonshot en Outreach.

Thuis: “Ik woon met mijn man en twee kinderen in Mijdrecht. Mijn dochter is dit jaar begonnen met de bachelor Linguistics op de UCU Liberal Arts and Sciences. Mijn zoon zit in twee Havo. Voor beide een rare tijd zo vanuit huis, al heeft mijn dochter het geluk dat ze op campus zit, daardoor toch een merkbare overgang van de middelbare school naar de uni. Mijn man is van origine ook bioloog. Hij is nu natuurgids en duikinstructeur.”
 
Wat deden je ouders? “Mijn vader was reservist bij de landmacht en gaf les op de koninklijke militaire academie in Weert en dan wel de bètavakken dus bèta's zit wel in de familie. Mijn moeder deed de boekhouding bij wolfabriek AaBe die vroeger in Tilburg stond en nadat mijn zusje naar de middelbare school ging by HandHeldProducts. Wat dat betreft zit de biologie niet echt in de familie. Ik heb wel een zusje die verpleegkundige is en een oom die gepromoveerd is in de biologie heel lang geleden.”
 
Wilde als meisje worden: “Professor. Dus dat is wel gelukt. Het begon op de middelbare school. De vakken biologie, natuur- en scheikunde hadden echt een samenhang. Bij biologie leerden we over de bloedsomloop. In dezelfde periode leerden we bij scheikunde de chemie achter het binden van zuurstof aan een rode bloedcel. Dit gecombineerd met docenten die alles goed weten te vertellen en je motiveren om net dat beetje extra te geven en te willen begrijpen opende mijn hart voor de biologie.”
 
Wie is jouw grote voorbeeld? “Ik heb nooit echt een groot voorbeeld gehad. Meer een bepaald soort mensen. Mensen die ergens echt voor gaan. Een Jane Goodall, die in de jaren 60 chimpansees ging bestuderen in het oerwoud. Ze ging het gewoon doen. Vol overgave. Ik respecteer dat soort pioniers. Zo dacht ik tijdens mijn master dat carrière in de wetenschap en een gezinsleven niet te combineren zouden zijn. Tijdens mijn PhD zag ik toen het tegendeel bij mijn copromotor Christine Mummery. Zij liet me zien dat het wél mogelijk was als je het goed organiseert. Dit soort mensen zijn een voorbeeld en hebben me geleerd dat als je iets wil, je moet zorgen dat de omstandigheden juist zijn om er vervolgens vol voor te gaan.”

Wat zijn je favoriete Hartstichtingthema’s?

1.      “Vrouwen, omdat het steeds duidelijker wordt dat er belangrijke verschillen zijn tussen mannen en vrouwen. Het gebroken hart syndroom is een duidelijk voorbeeld, maar ook ziektes zoals pulmonale arteriële hypertensie ontwikkelen zich vaker bij vrouwen.”

2.      “Vroeg herkenning, want hoe eerder we weten dat iemand ziek is, of beter nog, dat iemand ziek gaat worden, hoe vroeger we de behandeling kunnen starten. Het is altijd beter om schade te voorkomen want als er celdood optreedt, of ernstige fibrose is dit moeilijk te behandelen.”

Nieuwsbrief Professionals Online

Altijd op de hoogte zijn van het laatste nieuws rondom financierings- en samenwerkingsmogelijkheden, projecten en evenementen? Meld je aan voor de nieuwsbrief.

Meld je aan

Meer lezen

Hoogleraar Gezondheidspsychologie Andrea Evers: “We hebben meer mensen met dubbele petten nodig”

Hoogleraar Gezondheidspsychologie Andrea Evers: “We hebben meer mensen met dubbele petten nodig”

Talentontwikkeling

Talentontwikkeling

Samenwerking op alle niveaus

Samenwerking op alle niveaus