Professionals.Hartstichting.nl wordt geladen

Door: Pjotr van Lenteren

Dankzij dotteren, stents, pacemakers en kunstkleppen worden dagelijks levens gered. Toch verstaan ‘de scalpels’ en ‘de schroevendraaiers’ elkaar bij het ontwikkelen van nieuwe technologie nog niet altijd even goed. De kersverse Eindhovense hoogleraar Lukas Dekker wil een intermediair zijn. “Uitgaan van betaalbare gezondheidswinst voor de patiënt, dat is onze verbindende taal.”

Technologie die de kwaliteit van zorg bevordert en de last van ingrepen verlaagt. Als ritme-expert heeft cardioloog en elektrofysioloog Lukas Dekker er dagelijks mee te maken. Voor dit interview ploft hij in witte jas en operatieklompen neer op een bureaustoel in de kantoorkelder van het Catherinaziekenhuis, waar in de gangen nog spandoeken van de laatste verpleegkundigenstaking hangen. Dekker is hoopvol, maar maakt zich ook zorgen. Bij het Eindhoven MedTech Innovation Centre, in het kort: e/MTIC, werken artsen, technici en ondernemers zij aan zij om medische apparatuur te ontwikkelen. ‘Zijn’ projectteam sleutelt succesvol aan manieren om patiënten langdurig en goedkoop medisch te volgen. Incidenten voorspellen en voorkomen is het doel. Ook zoekt hij manieren om met behulp van data-analyse en verbeterde beeldtechnieken ingrepen in het hart tegen ritmestoornissen precies op de goede plek te doen. Maar de uitdagingen worden tegelijkertijd niet minder. “De kosten van de gezondheidszorg stijgen veel harder dan de levensverwachting. We komen handen te kort aan de bedden. Privacywetgeving staat veelbelovend data-onderzoek in de weg. Zaken waar we hard aan moeten werken, want juist die samenwerking tussen cardiologie en technologie is de sleutel.” 
 
Ben je als cardioloog geen vreemde eend in de bijt op de technische universiteit? Of als technoloog tussen de cardiologen?
“Dat valt enorm mee. Eindhoven heeft een jarenlange samenwerkingstraditie tussen medici en technici. Dat is juist de reden dat ik van Amsterdam naar Eindhoven verhuisde. Ik ben vier dagen arts en één dag technoloog. Ik reis dus letterlijk heen en weer tussen de vakgebieden. We werken bij e/MTIC met negentig promovendi en postdoctorale onderzoekers aan het hele traject van idee naar prototype naar product. Daar gaat de patiënt wat aan hebben.”
 
Waarom werkt het zo goed?
“Deels omdat we op dezelfde plek elkaars taal leren spreken, deels omdat vaak dezelfde techniek nodig is voor diverse ziektebeelden en alle onderzoekers tegen vergelijkbare uitdagingen oplopen: het bouwen van een digitale infrastructuur, regelgeving, beurzen aanvragen, onderzoeksvoorstellen in een innovatieve omgeving toch correct opstellen en de uitdagingen van vakgebieden waar dagelijks wat in verandert zoals artificial intelligence. Samen komen we verder dan ieder voor zich.”
 
Wat kan e/MTIC in jouw ogen zoal opleveren?
“Net is bekend geworden dat de slimme camera die wij in ontwikkeling hebben, waarmee ziekenhuispatiënten gevolgd kunnen worden zonder ze aan te raken of wakker te maken, een grote beurs heeft binnengesleept in het programma Hart voor duurzame zorg dat voor de helft is gefinancierd door de Hartstichting. De camera kan gezichten herkennen, meet op afstand hartslag, bloeddruk, zuurstofdruk en ademhaling. Verder gaan we, door data-analyse, straks ook kunnen registreren dat een patiënt gedrag vertoont dat op pijn duidt en dat er op basis van al die data wel eens een levensbedreigende gebeurtenis op komst kan zijn. Een simpel bolletje van tweeduizend euro kan vier patiënten tegelijk volgen en doen waar de verpleegkundige niet voldoende aan toekomt. Nu is dit belangrijk voor patiënten na een grote ingreep, straks kan dit als de huisarts en de wijkverpleegkundige meedoen ook thuis. Bijvoorbeeld bij hartfalenpatiënten. Zover zijn we natuurlijk nog lang niet. Maar technisch kan het. En het gaat me niet om dit apparaatje, maar om het voorbeeld en het idee erachter: meer gezondheidswinst, met lagere kosten.”
 
Wat is nu de grootste hinderpaal om dit soort innovaties in de praktijk te brengen?
“Puur praktisch: de regelgeving en het maken van afspraken. Er is eerder te veel dan te weinig data: wie kijkt waar wanneer naar, wanneer grijpen we in en wanneer niet? Hoe weten we zeker dat de data betrouwbaar zijn? Hoe beschermen we de privésfeer van patiënten? Het op een betrouwbare manier laten samenwerken van apparaten onderling en apparaten en mensen. Daar moeten we nog erg veel leren.”
 
Geeft al die data niet veel onrust?
“Klopt. Dat is een punt van zorg. We moeten wennen aan de mogelijkheden. Zowel patiënt als arts. Je doet snel te veel. Ik maak mensen mee die zijn geschrokken van hun hartritmestoornis, en niet één, maar twee slimme horloges dragen. Om elke pols een! Vervolgens zegt het ene horloge wat anders dan het andere en dan is er paniek. Zelfs als de patiënt zich prima voelt. Ik krijg regelmatig pdf’jes met data uit zulke apparaten, via de mail. Wat als ik iets zie dat zorgwekkend is, kan ik erop vertrouwen of moet ik het onderzoek overdoen met mijn eigen apparaten? En kan ik die stortvloed straks nog wel aan? Het bedrijfsleven is er klaar voor. De zorg beweegt nog niet mee. Dat is terecht, maar ook onterecht.”
 
Je zegt: de zorg is terecht én onterecht nog niet klaar voor nieuwe technologie. Waarom?
“Terecht omdat we de patiënt centraal moeten stellen. Kan die op de nieuwe techniek vertrouwen en wordt die er echt beter van? Onterecht, omdat de manier waarop zorg ingericht is. Dokters worden nog steeds betaald om te behandelen, niet om behandeling te voorkomen. Terwijl we al heel lang weten dat dat laatste het beste is. En nu met moderne data-analyse ook kán. De grootste verandering in de technologie is wat we allemaal kunnen gaan voorspellen.”   
 
Maar is het niet een kwestie van tijd? Is technologie in de cardiologie de afgelopen eeuw niet altijd verantwoordelijk geweest voor de grote doorbraken?
“Technologie overspoelt ons. Dat is heel anders dan dat wij de technologie erbij halen als we niet verder komen, zoals vroeger. Wij moeten als arts voorzichtig zijn, maar de ontwikkelingen niet vertragen. We moeten ze richten. Door hier onze eigen plek in op te eisen, voordat een multinational dat voor ons doet. Dingen snappen, regelen en veiligstellen in het belang van de patiënt. En dan snel verder.”
 
Ben je optimistisch, voorzichtig of sceptisch?
“Ik ben optimistisch, maar zeker niet euforisch. We hebben de instrumenten, de tools. Maar nog niet de oplossing.” 
 
Wat wil je je collega’s het liefst vertellen?
“Stel je open voor andere type oplossingen dan je gewend bent. De ouderwetse reactie op een probleem, bijvoorbeeld sterfte na een grote ingreep, is verpleegkundigen nog meer ronden laten maken. Nog meer meten en nog meer registeren. Ingenieurs hebben hier soms betere oplossingen voor dan bureaucraten. Andersom moeten technologen leren dat iets ontwikkelen domweg omdat het mogelijk is, omdat het kleiner en sneller kan, niet altijd voldoende is. Dat het om de patiënt gaat.”
 
Tussen die werelden in gaan staan, suggereert dat die werelden elkaar nog onvoldoende begrijpen. Is dat zo?
“Dat is rap aan het veranderen. Bij boezemfibrilleren hebben we een kleine groep mensen die maar blijven terugkomen met klachten. Er bestaat al van alles om die langdurig te monitoren, bijvoorbeeld met een pennetje onder de huid. Maar dat is een onprettige behandeling, met risico op infecties, die bovendien duizenden euro’s per apparaatje kost; duur in verhouding tot wat het oplevert. We moeten de vraag omdraaien en tegen de industrie zeggen: ontwikkel nu iets dat niet perfect is maar precies genoeg kan, niet vijf jaar mee hoeft en op afstand werkt. Dit moet het kunnen, dit moet het opleveren, dat mag het kosten. Dat is taal die ontwerpers begrijpen. Sterker nog, van zulke duidelijke specificaties worden ze blij.”  
 
Welk advies geef je mee aan jonge cardiologen, waar het om technologie gaat?
“Als ik naar mezelf kijk: ik ben met de rug naar de toekomst opgeleid. Wij deden niets met computers. Op een dag kreeg ik verpleegkundigen in opleiding op bezoek, die onderzochten wat de invloed van sociale media op patiënten zou zijn. Enthousiaste leerlingen, die zich afvroegen: kunnen we online iets maken dat gaat bijdragen aan betere zorg? Ik werd daar, ongeacht de uitkomst, heel enthousiast van. Die studenten werkten al tijdens opleiding aan de toekomst. Prima dat dokters traditionele mensen zijn, een zekere behoedzaamheid en terughoudendheid past ons. Lees vooral die dikke boeken en maak je meters in het ziekenhuis. Maar weet dat die dingen bestaan. Het betekent niet veel meer dan wat je om je heen hoort, af en toe eens goed op je in laten werken. Je hebt toch wel tijd om met je vrienden te praten en om de krant te lezen? Anders zou ik daar echt wat aan doen!”
 
En wat raad je technische studenten met een medische interesse aan?
“Ik geef toe, we noemen ze wel eens schroevendraaiers. Er zitten studenten bij die als ik ze vertel over patiënten en ziektebeelden en de uitdagingen die we willen aangaan, me het liefst de data uit handen rukken, zodat ze aan het werk kunnen. Dan neem ik ze mee naar de afdeling, breng ze in contact met echte patiënten. Dat doet uiteindelijk veel met ze. Ik wil dat ze begrijpen en voelen waar het over gaat en waarom hun bijdrage zo belangrijk is. Dat hun gesleutel geen betekenis heeft als het alleen om het apparaatje gaat.”
 
Wat kunnen we beter doen in de toekomst, wat is de volgende stap?
“Ik denk dat het belangrijk is dat je hier carrière in kunt maken, dat je talent vasthoudt. Dat heeft voor een deel met kennis te maken, technologische talenten weten bijvoorbeeld vaak nog niet de weg naar medisch-wetenschappelijke beurzen, die wél voor hen openstaan. De tijd is er rijp voor: jonge mensen met een technische interesse hebben een sterk maatschappelijk besef. Zestig jaar geleden ontwikkelde ingenieur Concorde, de huidige generatie kickt op de snelste zonneauto.”
 
Kunnen we studenten daar niet alvast een beetje mee helpen?
“Daar zijn we mee bezig, we zijn van plan een uitdaging te ontwikkelen waar studenten hun tanden in kunnen zetten. Zoals: maak de ideale digital twin. Dat is een veelbelovend concept, dat in Utrecht wordt ontwikkeld. Kunnen we straks ontzettend veel mee voorspellen op individueel niveau. Maar we staan pas aan het begin, er moet nog heel veel aan gebeuren. Hoe ga je dat handen en voeten geven? Ik ben benieuwd waar ze mee komen!”

Lukas Dekker (1967)

Lukas Dekker is cardioloog, elektrofysioloog en deeltijdhoogleraar Technology for Outcome-driven Cardiac Care. Daarnaast is hij medeoprichter en bestuurslid Eindhoven MedTech Innovation Centre e/MTIC, medeoprichter en bestuurslid Nederlandse Hart Netwerk (NHN). Hij is een van de twee Dekkerlaureaten van de Hartstichting die zelf ook Dekker heet. Hij is betrokken bij door de Hartstichting, ZonMw en NWO gefinancierde projecten zoals Hart voor duurzame zorg, geïntegreerde computermodellen voor voorspellen van kamerritmestoornissen, screening op boezemfibrilleren en slaap-apneu en denkt na over een nieuwe zorgfinancieringsystematiek op basis van uitkomst in plaats van behandeling. Zijn grote voorbeeld is Dirk Durrer. "In zijn tijd maakte Durrer nog 3D-reconstructies met de hand. Tekeningen, waarvan na zijn pensioen stapels gevonden zijn in zijn bureauladen. Ik kreeg er een bij mijn oratie van oud-collega’s uit Amsterdam. Ik hoorde dat het de laatste was." Hij is getrouwd met ontwerper Nanne en heeft twee studerende zoons: Loek en Moos. Lukas bokst en fietst en komt helaas niet meer aan de twee uur spelen per dag die nodig is voor zijn andere grote liefde: de piano.
Lukas Dekker

Nieuwsbrief voor professionals

Op de hoogte blijven? Schrijf je in en ontvang maandelijks informatie over calls, interviews en het laatste nieuws over ons hart- en vaatonderzoek.